Toetsschema Zwem-ABC

Created with Sketch.

Kleurentoetsen

Kleurentoetsen
De lesgevers van de Watervrienden geven het Zwem-ABC volgens een lesplan. Het lesplan bestaat uit zes verschillende groepen. Vier groepen voor A, 1 voor B en 1 voor C, allemaal aangeduid met een kleurcode (rood, oranje, geel, groen, blauw en paars).

 

Rode Toets Oranje Toets Gele Toets Groene Toets Blauwe Toets Paarse Toets
 Ondiep beginner Ondiep gevorderd Diep beginner A-diploma B-diploma C-diploma

 

Hieronder volgt per kleurgroep een beschrijving en de eisen van de toets, dit moeten de lesnemers kunnen, voordat ze doorgaan naar de volgende groep.

 

Rode Toets Oranje Toets Gele Toets Groene Toets Blauwe Toets Paarse Toets

De rode groep

(Ondiep beginner)

Nieuwe kinderen komen als eerste in de rode groep. Bij de eerste zwemles heet de lesgever de kinderen en hun ouders welkom en legt ze alles uit over zwemles en het zwembad, zoals waar de kleedkamers zijn en waar de kinderen wachten tot de les begint. De overdracht van de kinderen vindt plaats bij de bank, de kinderen wachten op de banken en worden door de lesgever meegenomen naar het bad, waarna de zwemles begint.

De lesgever laat ze kennismaken met het zwembad en doorloopt de watergewenning met de leerlingen. De watergewenning vormt het fundament voor alles wat de kinderen in de latere groepen leren en is erg belangrijk. Daarnaast is het vaak ook spannend (en een beetje eng) voor kinderen die nog weinig in het zwembad zijn geweest. Speelse oefeningen en een opbouw van makkelijk naar moeilijk staan daarom centraal. De kinderen leren wennen aan het water, veilig opstaan, te water gaan, onder water zijn en oriënteren, drijven, draaien en voortbewegen. Als de watergewenning is afgerond en de kinderen kunnen drijven, maken ze een begin met het hoofdtraject en leren de kinderen de rugslag. Als ze zijn geslaagd voor de rode toets, gaan ze door naar de oranje groep.

 

De rode toets
1.1 Van de kant of vlot zelfstandig in het water springen (voetsprong)
1.2 In borstdiep water een ring van de bodem pakken
1.3 Onder of door een voorwerp doorgaan onder water (lijn, stok, hoepel)
1.4 Vanuit rugligging zelfstandig gaan staan in borstdiep water
1.5 Vanuit rugligging naar buikligging draaien (bv tijdens uitdrijven)
1.6 5 seconden uitdrijven en 5 seconden drijven op de buik zonder drijfmiddel (hoeft niet achter elkaar aan)
1.7 5 seconden uitdrijven en 5 seconden drijven op de rug zonder drijfmiddel (hoeft niet achter elkaar aan)
1.8 4 meter borst-/rugcrawl beenbeweging met drijfmiddel
1.9 4 meter rugslag met drijfmiddel

 

 

Rode Toets Oranje Toets Gele Toets Groene Toets Blauwe Toets Paarse Toets

De oranje groep

(Ondiep gevorderd)

 

In de oranje groep wordt het voortbewegen verder uitgebreid. Naast de rugslag, moeten de leerlingen nu ook de schoolslag leren zwemmen. Ook kan er door de kinderen worden geëxperimenteerd met de borst- en rugcrawl, zodat ze globaal weten hoe beide slagen eruit zien. Intussen worden de andere basisvaardigheden onderhouden en uitgebreid. Kinderen leren verder onderwater zwemmen, bereiden zich voor op de kopsprong, maken kennis met watertrappen, oefenen draaien en leren langer drijven. Ook zullen ze in deze groep af en toe zwemmen in diep water, soms in het doelgroepenbad met de bodem naar beneden, maar soms ook in het wedstrijdbad. Hierdoor voelen ze zich comfortabel als ze na het halen van de oranje toets doorgaan naar de gele groep in het wedstrijdbad.

 

De oranje toets
1.1 Vanuit een ‘zittende duik’ door een hoepel/klein gat zwemmen op 1,5 meter afstand
1.2 5 seconden rechtop drijven/watertrappen in diep water (doelgroepen- of wedstrijdbad)
1.3 5 seconden uitdrijven en 5 seconden drijven op de buik zonder drijfmiddel (hoeft niet achter elkaar aan)
1.4 5 seconden uitdrijven en 7 seconden drijven op de rug zonder drijfmiddel (hoeft niet achter elkaar aan)
1.5 10 meter rugslag zonder drijfmiddel in ondiep water
1.6 10 meter schoolslag zonder drijfmiddel in ondiep water
1.7 20 meter rugslag met drijfmiddel in diep water (wedstrijdbad)
1.8 20 meter schoolslag met drijfmiddel in diep water (wedstrijdbad)
1.9 Het kind kan de globale been- en armbeweging van de borst- en rugcrawl benoemen of laten zien (benen trappelen & de armen gaan om-en-om).

 

 

Rode Toets Oranje Toets Gele Toets Groene Toets Blauwe Toets Paarse Toets

De gele groep

(Diep beginner)

 

De gele groep is de eerste groep in het diepe bad. Hoewel de kinderen daar al eerder zijn geweest ter kennismaking, zwemmen ze er nu voor het eerst een hele les. Dat betekent dat de conditie moet worden verbeterd en kinderen langere afstanden zwemmen, want een baantje in het wedstrijdbad is 25 meter in plaats van de 10 meter die de kinderen in het doelgroepenbad gewend zijn. De kinderen zwemmen daarom eerst met drijfmiddelen en leren langzaam om de afstanden zonder drijfmiddel te overbruggen. Verder wordt het aanleren van de borst- en rugcrawl voortgezet. Daarnaast worden de basisvaardigheden nu in het diepe geoefend en uitgebreid. Een kind dat in het ondiepe best zittend durfde te duiken en door een gat te zwemmen, kan dit in het diepe bad opnieuw spannend vinden. Dit soort vaardigheden worden daarom herhaald en uitgebreid. Als het kind zelfverzekerd zonder drijfmiddelen in het diepe zwemt en daar de conditie voor heeft, kan het na het halen van de gele toets door naar de groene groep, oftewel de diplomagroep.

 

De gele toets
1 Van de (hoge) kant zelfstandig in het water springen
2 Te water gaan met een ‘zittende’ of ‘geknielde’ duik (hoofd eerst)
Onder of door een voorwerp doorgaan onder water (lijn, stok, hoepel)
3 25 meter schoolslag
25 meter enkelvoudige rugslag
voetwaarts naar de bodem laten zakken (hoofd onder water)
4 3 meter beginnersrugcrawl
3 meter beginnersborstcrawl (gezicht in het water)
5 5 seconden drijven op de buik (gezicht in het water)
7 seconden drijven op de rug
Een halve draai om de lengte-as maken (horizontale ligging)
 6 10 seconden watertrappen

 

Rode Toets Oranje Toets Gele Toets Groene Toets Blauwe Toets Paarse Toets

Groene groep

(A-diploma)

 

In de groene groep worden de kinderen klaargestoomd voor het A-diploma. Er wordt aandacht besteed aan alle diploma-onderdelen. De school- en rugslag en het draaien worden onderhouden en waar nodig verbeterd. De borst- en rugcrawl en het watertrappen worden verbeterd en het drijven wordt geoefend in de vorm waarop het op het diploma getoetst wordt. Verder wordt er veel geoefend met onder water zijn en te water gaan, want de kinderen moeten door het gat leren zwemmen. Aan het einde van de groene groep zwemt een kind af voor het A-diploma.

 

De groene toets/eisen A-diploma
A1 proef survival
Vanaf enige hoogte ter water gaan met een voetsprong voorwaarts, na het bovenkomen aansluitend
15 seconden watertrappen, gevolgd door
12,5 meter zwemmen, proef afronden met
zelfstandig uit het water op de kant klimmen
A2 proef Onderwateroriëntatie
Van de kant te water gaan met een sprong (duiken heeft de voorkeur), gevolgd door (zonder boven te komen)
onder water zwemmen door een gat in een verticaal in het water hangend zeil dat zich op 3 meter van de (start-)kant bevindt.
A3 proef Conditiezwemmen
25 meter schoolslag, gevolgd door
25 meter enkelvoudige rugslag, gevolgd door
25 meter schoolslag onderbroken door 1 keer voetwaarts richting de bodem zakken, gevolgd door
25 meter enkelvoudige rugslag
A4 proef Borst- en rugcrawl
5 meter borstcrawl
5 meter rugcrawl
A5 proef Je vertrouwd voelen in het water
Enkele slagen zwemmen op de buik, aansluitend
5 seconden drijven op de buik, aansluitend enkele slagen zwemmen, gevolgd door
halve draai naar rugligging, gevolgd door
10 seconden drijven op de rug
A6 proef Boven water oriënteren en verplaatsen
Van de kant te water gaan met een sprong naar keuze, gevolgd door
60 seconden watertrappen met gebruik van armen en benen, waarin 2 keer, al watertrappend, een hele draai om de lengte-as gemaakt wordt

 

 

Rode Toets Oranje Toets Gele Toets Groene Toets Blauwe Toets Paarse Toets

Blauwe groep

(B-diploma)

 

Kinderen die na A doorgaan voor B, komen in de blauwe groep. De te zwemmen afstanden worden opgevoerd en de technieken worden verbeterd. Daarnaast moeten vaardigheden zoals te water gaan, (uit)drijven en draaien worden onderhouden. Het onder water zwemmen, borst- en rugcrawl en het watertrappen worden verbeterd. Als er gelegenheid toe is, worden op speelse wijze alvast een aantal vaardigheden uit het C-diploma geïntroduceerd, zoals de koprol.

 

De blauwe toets/eisen B-diploma
B1 proef survival
Achterwaarts te water gaan, aansluitend
15 seconden watertrappen, gevolgd door
50 meter zwemmen, onderbroken door 1 keer onder een drijvend voorwerp door zwemmen, proef afronden met
zelfstandig uit het water op de kant klimmen
B2 proef Onderwateroriëntatie
Van de kant duiken, gevolgd door (zonder boven te komen)
onder water zwemmen door een gat in een verticaal in het water hangend zeil dat zich op 6 meter van de (start-)kant bevindt.
B3 proef Conditiezwemmen
25 meter schoolslag, gevolgd door
25 meter enkelvoudige rugslag, gevolgd door
25 meter schoolslag, gevolgd door
25 meter enkelvoudige rugslag, gevolgd door
25 meter schoolslag, gevolgd door
25 meter enkelvoudige rugslag, onderbroken door 2 keer een halve draai om de lengte-as (van rug nar buik en van buik naar rug)
B4 proef Borst- en rugcrawl
10 meter borstcrawl
10 meter rugcrawl
B5 proef Je vertrouwd voelen in het water
In het water springen met een sprong naar keuze, aansluitend
15 seconden drijven op de rug, gevolgd door
5 meter hoofdwaarts voortbewegen op de rug met gebruik van armen in de richting van een drijvend voorwerp, gevolgd door
20 seconden met gebruik van een drijvend voorwerp blijven drijven
B6 proef Boven water oriënteren en verplaatsen
Van de kant te water gaan met een sprong naar keuze, aansluitend
60 seconden watertrappen met verplaatsen in meerdere richtingen, met gebruik van armen en benen, proef afronden met
1 keer voetwaarts richting de bodem zakken

 

 

Rode Toets Oranje Toets Gele Toets Groene Toets Blauwe Toets Paarse Toets

Paarse groep

(C-diploma)

 

In het laatste blok van het zwem-ABC worden de laatste puntjes op de “i” gezet. De al geïntroduceerde en de nieuwe vaardigheden worden geoefend en verbeterd, bijvoorbeeld de zwemtechnieken en het hoofdwaarts richting de boden gaan.

 

Paarse toets/eisen C-diploma
C1 proef survival
Te water gaan met een rol voorover, aansluitend
15 seconden watertrappen, gevolgd door
30 seconden verticaal blijven drijven met gebruik van een drijvend voorwerp, gevolgd door
5 meter voortbewegen op de rug met gebruik van armen
Te water gaan met een sprong waarbij het hoofd boven water blijft, aansluitend
100 meter zwemmen, onderbroken door 1 keer onder een drijvend voorwerp door zwemmen en 1 keer over een drijvend voorwerp heen klimmen, proef afronden met
zelfstandig uit het water op de kant klimmen
Te water gaan met een sprong naar keuze, enkele slagen zwemmen, aansluitend
1 meter voor een verticaal in het water hangend zeil onder water gaan en onder water zwemmen door het gat in het zeil
C2 proef Onderwateroriëntatie
Van de kant duiken, gevolgd door (zonder boven te komen)
onder water zwemmen door een gat in een verticaal in het water hangend zeil dat zich op 6 meter van de (start-)kant bevindt, proef afronden met
naar de oppervlakte zwemmen, oriënteren en bovenkomen in een soort wak
C3 proef Conditiezwemmen
75 meter schoolslag, onderbroken door 1 keer hoofdwaarts richting bodem gaan, gevolgd door
75 meter enkelvoudige rugslag
C4 proef Borst- en rugcrawl
15 meter borstcrawl
15 meter rugcrawl
C5 proef Boven water oriënteren en verplaatsen
Van de kant te water gaan met een sprong naar keuze, aansluitend
30 seconden watertrappen met verplaatsen in meerdere richtingen, met gebruik van armen en benen, gevolgd door
15 seconden drijven op de rug, proef afronden met
30 seconden watertrappen met de benen

 

Kledingeisen

In ieder geval elke eerste vrijdag van de maand moeten de lesnemers kleren aan. Als er de eerste vrijdag van de maand geen zwemles is door bijvoorbeeld vakantie of een activiteit, dan wordt dit de eerstvolgende vrijdag van de maand met kleren aan. Het kan zijn dat de lesgever besluit dat de groep vaker kleren aan moet. Dit hoort u dan van de desbetreffende lesgever.

De kledingvoorschriften zijn voor Zwemdiploma A en B gelijk. De kleding bestaat uit een lange broek, een T-shirt, hemd of blouse met lange mouwen en schoenen. Voor Zwemdiploma C wordt een jas toegevoegd aan het kledingpakket. De kleding wordt bij alle onderdelen die horen bij ‘Survival’ tot het einde van de opdracht gedragen. Uitzondering hierop is het onderdeel ‘Gekleed onder water gaan en door een gat in een verticaal hangend zeil zwemmen’ bij Zwemdiploma C. Dit onderdeel wordt zonder de jas gezwommen.

De bedoeling van het dragen van kleding tijdens de examens is te laten zien dat je met dagelijkse kleding aan jezelf kunt redden, wanneer je onverwacht in het water terechtkomt. De kledingkeuze is gebaseerd op de kleding die tijdens normale dagelijkse bezigheden buiten wordt gedragen en is afgestemd op ons Nederlandse klimaat. Dit geldt ook voor de schoenen. Plastic-, leren-, katoenen- en sportschoenen zijn toegestaan. Pantoffels en schoenen zonder echte zool, zoals slippers en surfschoentjes, zijn niet toegestaan.

Voortgangsregistratie

De voortgang van de lesnemers voor het Zwem-ABC wordt bijgehouden in de voortgangsregistratie. Deze voortgangsregistratie kan aan het eind van de les worden ingekeken, echter is er dan beperkte tijd beschikbaar. Na de kijklessen hebben de lesgevers meer tijd om de ouders/verzorgers te woord te staan over de voortgang van het kind.